Zoeken in deze blog

donderdag 22 juni 2017

Paradijs


Paradijs

Kronkelige paden met bloeiende bermen 
Ragfijn fluitenkruid opent zijn schermen 
Koolwitjes fladderen boven paarse rapunzel 
Merels zingen, een verre koekoek roept
boven de heuvel gekroond met zwarte toorts
Zonnestralen strelen mijn schrale huid
Ik word begroet door knikkend nagelkruid
koningsvarens, hemelsleutel, ereprijs
en waan mij even in het paradijs. 

(Jac. P. Thijssepark)

woensdag 14 juni 2017

Breekpunt

Breekpunt

‘Laten we niet meteen naar huis gaan, maar naar ‘ons' restaurant.'
‘Alsof we iets te vieren hebben …’
‘Even rustig praten samen in een andere omgeving. Dat hebben we nu nodig, Marc.'
Hij knikt.

Het is stil in de auto, als we op de snelweg rijden. Ik kijk van opzij naar Marc: hij houdt zijn lippen op elkaar geklemd. Zo zag hij er ook twaalf jaar geleden uit, toen we het ziekenhuis verlieten.
‘We mogen de hoop niet opgeven,' zeg ik meer tegen mezelf dan tegen hem.

Ik sluit mijn ogen en zie de scène weer helemaal langstrekken: de arts die ons nauwelijks durfde aan te kijken, de vraag naar erfelijke ziektes in onze families, maar vooral de blik van Marc, de wanhoop en de angst die eruit spraken.
 ‘De kans op volledige genezing is niet groot, tenzij een direct familielid een nier doneert', sprak de arts.
Marc sloeg beschermend zijn arm om Paul heen.
‘Het komt goed, jongen,' zei hij. ‘Als je beter bent, gaan we weer samen voetballen.'
...
Ik denk aan die andere diagnose: 'De kans dat u samen kinderen zult krijgen is uiterst miniem.'
Een jaar later werd Paul geboren. Marc was uitzinnig van blijdschap. ‘Ik heb het altijd geweten dat ik vader zou worden,' riep hij. Toen hij zag dat bij mij de tranen over de wangen liepen, streelde hij me. ‘Vreugdetranen zijn het. Zie je wel, er gebeuren nog wonderen.'

Ik merk nu pas dat we stilstaan bij een benzinestation. Marc stapt uit om te tanken. Als hij na een tijdje terugkomt, is zijn blik anders. Ik zie een vastberadenheid die ik van hem ken.
‘Alles zal ik voor hem doen: we halen de beste artsen erbij. Ik stel me beschikbaar voor bloedtransfusie en transplantatie van mijn nier. Wie is daar meer geschikt voor dan zijn bloedeigen vader?'
Ik knik, maar mijn hart gaat als een razende tekeer. Dit moment heb ik altijd al gevreesd.

‘Wat ben je stil,' zegt hij.
‘Laat me maar even.'
‘Ik wil er helemaal voor je zijn, juist nu.'
...
‘Ook wil ik een second opinion. We moeten vechten, Inge, en niet lijdzaam afwachten.'
‘Straks in het restaurant praten we verder.'

Als we onder andere omstandigheden hier zouden zijn, zou ik genieten van deze prachtige plek: bloeiende kastanjebomen en rododendrons. Nu wens dat de bomen kaal zijn; ook de vogels mogen stoppen met hun uitbundige gezang.
De ober wijst ons een tafel aan bij het raam. De menukeuze laat ik aan Marc over. Honger heb ik toch niet.
‘Inge, onze Paul is door een wonder geboren. Ook toen was alle hoop de bodem ingeslagen. Zullen we hem alsnog verliezen? Dat geloof ik niet; help me alsjeblieft in deze strijd.'
De ober bezorgt het voorgerecht.
‘Pas op, mevrouw, mijnheer, de soep is zeer heet.'
Ik brand mijn tong, maar dat deert me niet. Nu kan ik nog even zwijgen en de illusie in stand houden. Al die jaren hield ik mijn mond om Marc geen pijn te hoeven doen.
 Ik weet dat ik in één klap zijn leven zal verwoesten, als ik hem de waarheid vertel, maar de ziekte van Paul maakt dat ik geen keus meer heb. Een foute beslissing nam ik om Marc in het ongewisse te laten.
‘Inge, waar ben je met je gedachten?'
‘Ik zie steeds Paul voor me in dat ziekenhuisbed: inwit, maar zijn ogen stonden helder. Vol goede moed is hij, terwijl wij weten …'
‘Wij weten niets, ik vertrouw erop dat hij helemaal herstelt. Alles komt goed.'

De ober zet het hoofdgerecht op tafel: voor mij gemarineerde eend en voor Marc een groot stuk biefstuk.
Ik zie hoe hij - ondanks alles - geniet van de maaltijd.

‘Marc, ik heb je iets te zeggen.'
Hij kijkt me verbaasd aan.
Ik barst los en vertel hem alles wat ik jarenlang verzwegen heb. Steeds maar herhaal ik dat ik alleen van hem gehouden heb en dat hij voor Paul de echte vader is.
Ik zie zijn blik veranderen van ongeloof, verbijstering naar woede. Zijn gezicht wordt grauw; nu is hij degene die zwijgt.
Hij staat plotseling op loopt weg. Ik loop hem achterna en pak hem vast:
‘Marc, natuurlijk ben je kwaad, maar laten we nu aan onze zoon denken. Hij heeft ons nu meer nodig dan ooit.
‘Ik heb geen zoon meer,’ perst hij eruit terwijl hij opstaat en het restaurant uitloopt.






maandag 29 mei 2017

Mariska

I

Mariska’s ogen zijn gericht op het bord waarop haar moeder zojuist bloemkool, aardappelen met jus en een gehaktbal heeft geschept.
‘Wel eten hoor, kind. Dat is goed voor je.’
Voor de vorm prikt ze in de bal, maar als ze ziet hoe bij haar vader het vet langs zijn kin druipt, legt ze haar vork vol afschuw terug.
Haar maag rammelt; ze probeert een stukje bloemkool en telt in gedachten de calorieën. De zorgelijke blikken van haar ouders vermijdt ze.
‘Ik voel me niet zo lekker en ga naar boven.’

Ze bekijkt zichzelf in de spiegel en walgt van haar moddervette lichaam.
Een klop op de deur, de stem van haar moeder:
‘Dit kan echt niet langer. We moeten praten.’

II

De stemming aan het ontbijt is om te snijden. Langzaam zuigt ze op een stukje zure appel.
‘Probeer een halve boterham,’ zegt haar moeder.
‘Mam, zeur niet, ik heb ’s morgens geen honger. Houd eens op met dat gezucht.’

Onderweg naar school stopt ze om de inhoud van haar broodtrommel in de prullenbak te gooien: een boterham met -in plakjes gesneden- koude gehaktbal van de vorige dag. Opgelucht fietst ze verder. Ze voelt zich licht in haar hoofd worden en neemt snel een chocoladerozijntje.

Vanuit de verte ziet ze hem: hij is nog mooier dan in haar dromen. Meisjes verdringen zich om zijn aandacht. Ze weet het zeker: eens komt de dag dat zijn ogen alleen op háár zijn gericht.

III

‘Mariska, kan ik je even spreken?’ vraagt haar mentor.
Ze loopt mee naar zijn kamer en gaat zitten.
‘Wat is er met je aan de hand? Je resultaten vliegen achteruit de laatste tijd en je ziet er bepaald niet florissant uit.’
‘Ik voel me uitstekend. En ja, ik besteed minder tijd aan mijn huiswerk, omdat ik veel sport. Ik ga mijn leven beteren. Echt.’
‘Je weet toch dat je altijd bij me terechtkunt.’

Als ze de klas binnenkomt, zijn vele ogen op haar gericht. Ze wankelt naar haar plaats en ontwijkt de blikken.
‘Je kunt haar botten tellen,’ fluistert iemand. Er wordt gelachen.
Nu sterk zijn, laat ze maar..
Gelukkig lacht hij niet mee. Ze probeert zijn blik te vangen.

IV

Als de les is afgelopen, verlaat Mariska als eerste het lokaal. Ze voelt zich duizelig en loopt onvast naar haar fiets. Straks thuis maar appelchips met kaneel maken: lekker en slechts weinig calorieën.

Plots voelt ze een zachte aanraking en ze hoort een stem: ‘Mariska.’
De adem stokt in haar keel; ze kan nauwelijks praten.
‘Ja,’ fluistert ze.
Als ze haar ogen opslaat, is hij verdwenen …

Met het laatste restje energie fietst ze naar huis. Hij heeft haar vleugels gegeven. Eens zal hij bij haar blijven; eerst vijf kilo eraf. Ze drinkt een glas water en gaat op haar bed liggen. Vrijwel onmiddellijk valt ze in slaap.
Ze wordt wakker van de stem van haar moeder:
‘Kom je eten, Mariska?’

V

‘Een strandwandeling zal je goed doen. Loop gezellig met ons mee.’
Mariska zucht; ze haat die opgeklopte vrolijkheid.
‘Geen zin.’
‘Rijd anders mee en loop je eigen route.’
Daar heeft ze wel oren naar; ze hoeft dan tenminste niet te sjokken.

De zilte zeelucht en de wind om haar oren voelen aangenaam. Licht als een veertje rent ze met blote voeten op het natte strand.
Ze kijkt naar de eindeloze zee. Krachtige golven spoelen aan en laten schelpen achter. Ze pakt er een en houdt hem tegen haar oor.
‘Je kunt de zee erin horen ruisen,’ zei haar vader vroeger.
Maar ze hoort niets …

Ze laat zeeschuim door haar handen glijden: zo licht, zo zacht zou ze altijd willen zijn.

VI

Als ze haar ogen opent, is het strand verlaten. Het begint te schemeren. Op de golven drijft een blauwe kano met daarop een peddelaar, gekleed in een fel oranje pak. Gefascineerd kijkt ze hem na.
Plotseling klinkt er geroep:
‘Waar was je al die tijd, Mariska? We hebben uren lopen zoeken naar je.’
Het hoofd van haar moeder is vuurrood en haar vader klemt verbeten zijn lippen op elkaar.

Onderweg naar huis stoppen ze bij een McDonald’s restaurant.
‘Je moeder heeft geen tijd meer om te koken. Hier gaan we eten.’
Vol walging kijkt Mariska naar de vette patat en de hamburger op haar bord.
‘Gewoon eten wat de pot schaft. Het is afgelopen met die malle fratsen van jou.’


Zie 120w:

https://120w.nl/?s=Mariska&author=600&order=asc&year=

zondag 28 mei 2017

Kikkers


Kikkers. 
(een imitatio van 'Kwallen' van Frans Kuipers)

Drijvende dril in de vijver, 
Een tapijt van licht weerspiegeld in water, 
Glanzende belofte van leven. 

Krioelende kikkervisjes. 
Elkaar verdringend in de kom. 

Kwaakblazen als ballonnen. 
(Ze bestaan slechts uit lucht.) 

Ze lokken en verleiden. 
(Eigendunk is hun motor.) 

Met lange achterpoten 
Vol kracht 
Zetten zij zich af
Tegen vermeende vijanden 

Kikkers.
Politici zijn kikkers

@Nel Goudriaan, 27 mei 2017

maandag 22 mei 2017

Zwijgen

Met gesloten ogen luister ik naar de geluiden van buiten: een merel zingt, eksters maken kabaal in de dakgoot, een vroege krantenbezorger gaat fluitend voorbij. Even lijkt alles weer gewoon.
Ik tast naar mijn mobiele telefoon om te zien hoe laat het is. Het scherm blijft zwart. 
Pas nu realiseer ik me dat ik nog geen enkel piepje heb gehoord; ik doe de telefoon in de oplader, stap mijn bed uit en loop naar beneden. Het is daar vreemd stil. Als ik de koelkast open, zie ik dat het lichtje niet brandt. Ik verlang naar de troost van warme koffie, maar er is slechts een glas   water uit de kraan. Geen geluid van een radiator; ijzig koud is het.

Ik roep je: ‘Laat me niet alleen in deze oorverdovende stilte,' maar je zwijgt. Ik ga terug naar bed en trek jouw deken om me heen. Jouw geur is verdwenen, je kussen ruikt naar wasverzachter: een misselijkmakende rozengeur. Ik kon niet voorkomen dat ze jouw beddengoed wasten.
Geklop op de buitendeur: ‘Doe open alsjeblieft.'
Ik herken de stem van de buurvrouw en wens dat ze verdwijnt. 
Nog dieper kruip ik onder de deken. Ik wil even helemaal niets. Slechts stilte om me heen, de merels en eksters zwijgen met me mee ...

Plots rinkelt de telefoon, de radiator borrelt, lichten knipperen aan. Ik kom onder mijn deken vandaan. 
‘Ik ben zo bij je.'

Zacht trek ik de voordeur achter me dicht en loop de straat uit, regelrecht naar het bankje. De bloemenkransen op de vers omgewoelde aarde zijn verlept. De letters op het lint zijn nog goed leesbaar; ‘Ik heb je lief.'





woensdag 29 maart 2017

Barmhartig

Zijn T-shirt is doorweekt, zweet druipt van zijn gezicht. Tevergeefs probeert hij overeind te komen. Het asfalt is gloeiendheet in de brandende zon.
Waar ben ik, vraagt hij zich vertwijfeld af. De stekende pijn in zijn onderbuik beneemt hem de adem. Flarden van herinneringen komen boven: ‘Vuile poot, flikker op …'  Dan zakt hij weg.

Naderende voetstappen. Als hij zijn ogen opslaat, ziet hij een pastoor: ‘Sorry, broeder, maar de mis begint zo.' En hij loopt weg.
Even later buigt een vrouw zich over hem heen: ’Ik zal 112 bellen.' Ook zij verdwijnt.

Een zwerver maakt zijn veters vast, staat op en strompelt naar de man:
‘Is er dan helemaal niemand die een poot uitsteekt? Kom, vriend, ik draag je wel.'

zaterdag 18 maart 2017

Zilverschoon




‘Spreken is zilver, zwijgen is goud,' zegt hij, als hij haar toestopt.
‘Jij bent al groot, ik weet zeker dat je een geheim kunt bewaren.'
Josine knikt, natuurlijk kan ze dat.
‘Goed zo, anders kom ik niet meer oppassen. Je bent vast niet graag alleen als je vader en moeder er niet zijn.'
Ze hoort hoe hij de trap afloopt en ze weet dat hij daarna de koelkast zal openen. Pap zegt regelmatig dat er maar eens een andere oppas moet komen omdat oom Peter te veel van zijn bier drinkt. Mam vindt dat onzin.
Ze kan de slaap niet vatten: de buikpijn en de vieze smaak in haar mond zijn niet verdwenen na het drinken van een glas cola ...

‘En, ben je lief gaan slapen gisteravond? Was het gezellig met oom Peter? Hebben jullie nog leuke spelletjes gespeeld?'
Vragen, vragen. De antwoorden blijven steken in haar keel. 'Ja, leuk,' mompelt ze tenslotte.
En straks op school in de kring komt weer de vraag om iets te vertellen over het weekend. De angst dat alle blikken op haar zijn gericht. Ze weet nu al dat ze haar mond zal houden.

Vandaag gaat de klas op excursie.. Als ze langs een veld lopen, ziet ze prachtige gele bloemen met glanzende zilveren bladeren.
‘Deze bloem heet zilverschoon,' zegt de juf.
‘Bestaat er ook goudschoon?'
’Nee. dat bestaat niet.'
 Josine plukt er een paar om mee naar huis te nemen.

Thuis zet ze de bloemen in een vaas. ‘Zilverschoon, zilverschoon,' zegt ze en nog eens. Dat klinkt veel mooier dan goudschoon. Zwijgen is trouwens ook een raar woord. En van geheimen heeft ze haar buik vol. Spréken zal ze: ze gaat voortaan voor zilver, niet langer voor goud.
‘Kijk eens, mam, wat een mooie bloemen. Ze zijn voor jou. Ik moet je iets vertellen.'

Geschreven bij weekopdracht #134 SchrijvenOnline