Zoeken in deze blog

zaterdag 18 maart 2017

Zilverschoon




‘Spreken is zilver, zwijgen is goud,' zegt hij, als hij haar toestopt.
‘Jij bent al groot, ik weet zeker dat je een geheim kunt bewaren.'
Josine knikt, natuurlijk kan ze dat.
‘Goed zo, anders kom ik niet meer oppassen. Je bent vast niet graag alleen als je vader en moeder er niet zijn.'
Ze hoort hoe hij de trap afloopt en ze weet dat hij daarna de koelkast zal openen. Pap zegt regelmatig dat er maar eens een andere oppas moet komen omdat oom Peter te veel van zijn bier drinkt. Mam vindt dat onzin.
Ze kan de slaap niet vatten: de buikpijn en de vieze smaak in haar mond zijn niet verdwenen na het drinken van een glas cola ...

‘En, ben je lief gaan slapen gisteravond? Was het gezellig met oom Peter? Hebben jullie nog leuke spelletjes gespeeld?'
Vragen, vragen. De antwoorden blijven steken in haar keel. 'Ja, leuk,' mompelt ze tenslotte.
En straks op school in de kring komt weer de vraag om iets te vertellen over het weekend. De angst dat alle blikken op haar zijn gericht. Ze weet nu al dat ze haar mond zal houden.

Vandaag gaat de klas op excursie.. Als ze langs een veld lopen, ziet ze prachtige gele bloemen met glanzende zilveren bladeren.
‘Deze bloem heet zilverschoon,' zegt de juf.
‘Bestaat er ook goudschoon?'
’Nee. dat bestaat niet.'
 Josine plukt er een paar om mee naar huis te nemen.

Thuis zet ze de bloemen in een vaas. ‘Zilverschoon, zilverschoon,' zegt ze en nog eens. Dat klinkt veel mooier dan goudschoon. Zwijgen is trouwens ook een raar woord. En van geheimen heeft ze haar buik vol. Spréken zal ze: ze gaat voortaan voor zilver, niet langer voor goud.
‘Kijk eens, mam, wat een mooie bloemen. Ze zijn voor jou. Ik moet je iets vertellen.'

Geschreven bij weekopdracht #134 SchrijvenOnline

woensdag 15 maart 2017

Voorbij (2)




Voorbij

Jij kwam voorbij
we lachten
de nachten 
waren zwoel en eindeloos
we zongen en bedwongen 
bergen en wereldzeeën 
zorgeloos

We aten
van verboden vruchten 
we duchtten geen gevaar
en toen de slangen kwamen
huilden en schuilden we
bij elkaar

We dachten 
dat we eeuwig waren
maar jij ging voorbij
de poorten van het paradijs 
en werd een stipje
aan mijn horizon 

@Nel Goudriaan 15 maart 2017

dinsdag 14 maart 2017

Voorbij (1)



Voorbij

Jij kwam voorbij
we lachten
we zongen en bedwongen 
bergen en wereldzeeën 
we huilden en schuilden
bij elkaar

We dachten 
dat we eeuwig waren
maar jij ging voorbij
mijn grenzen
en werd een stipje
aan mijn horizon 

@Nel Goudriaan 14 maart 2017

Ultrakorte verhalen SchrijvenOnline (3)


Geslepen

De rode wollen jas zit haar als gegoten. Ze bekijkt zichzelf met welgevallen in de spiegel. Ze steekt haar handen in de diepe zakken en glimlacht tegen zichzelf. Dit zou haar vader  eens moeten zien! Hij heeft het altijd al gezegd: ‘Jij gaat het ver schoppen, Jopie!' Tegenwoordig heet ze Josephine. Hij heeft haar de fijne kneepjes van het vak geleerd;  niemand kan zo goed het breekijzer hanteren als hij. Zij heeft dat gereedschap niet nodig: haar geslepen tong is een uitstekend werktuig.

Ze belt aan bij een villa: 
 ‘Goedemiddag, vanaf vandaag zal ik uw bankzaken perfect regelen.'


Leeg huis

Leeg  is het huis, kaal zijn de muren. Witte plekken verraden
afwezige schilderijen.Hier woonden zij; hier leefden zij.
Daar in de hoek stond zijn stoel. Intens genietend rookte hij pijp, later sigaar
en het plafond kleurde langzaam lichtbruin

Leeg  is de keuken. Potten, pannen, pollepels wachten bij de kringloop
op een nieuw bestaan. Nooit meer de geuren van hutspot, bloemkool of gebakken schol
In de container voor het huis overtollige restanten, ooit gekoesterd. Nu oud vuil.

Vol met aantekeningen staat zijn agenda die ik tevoorschijn haal uit een oude koffer. Ik lees en even is hij zeer nabij.

Hemels

In de stille zaal klinken de ijle klanken van haar viool. De strijkstok danst over de snaren. Het publiek luistert ademloos. Zij is één met de muziek. Haar instrument koestert ze, alsof het haar kind is. Als je goed luistert, hoor je een menselijke stem, zo intens, dat ze regelrecht de ziel raakt. Ze voert het publiek mee naar hemelse sferen. Even geen ellende in de wereld.

Dan het einde, de stilte en het daverende applaus. Ze is terug op aarde. Ze kijkt liefdevol naar haar viool, nu nog een replica. Eens zal ze een echte Stradivarius bespelen.

Kleine heraut 

‘Mam, waarom maken die mannen op de televisie ruzie?'
‘Dat is geen ruzie, maar een debat.'
‘Waarom kijken ze dan zo boos naar die meneer met het witte haar?'
‘Ze vinden hem onverdraagzaam.'
‘Wat betekent dat? Ik vind het geen leuk programma.'
Ik zet de televisie uit. 

Hij pakt zijn doos met Lego en bouwt een huis. In de tuin plaatst hij een tafel met stoeltjes. Daarop zet hij alle poppetjes en dieren neer die hij heeft. 
'Mam, kijk: een debat in de tuin. De dieren praten ook mee. Ze lachen samen.'
'Kleine heraut van de vrede,' zeg ik.

Toch maar niet

“Aan mijn lijf geen polonaise meer."
“Maar vader, deze experimentele behandeling is een nieuwe kans.”
“Ik wil niet meer.”
“Je geeft de strijd toch niet op? We kunnen je nog niet missen.”
Ik ben doodmoe. Ik voer mijn eigen strijd: ik moet loslaten. Accepteren dat het voorbij is. Afscheid nemen van mijn dierbaren. Al dat gepraat over vechten tegen mijn ziekte is zinloos geblaat. Winnen of verliezen heb ik niet zelf in de hand.

Mijn dochter streelt mij zachtjes over mijn wang. We kijken elkaar aan. Ze opent haar mond om iets te zeggen. Toch maar niet …

Man in pak

Op een zaterdag zat hij er opeens: gekleed in een driedelig pak. De drie zwervers die op dezelfde bank hun dagelijkse hoeveelheid bier dronken, merkten hem niet op. Uit een plastic tas kwamen twee flessen wijn en een glas tevoorschijn.
Hij schonk de wijn in en begon te drinken. Na een paar uur vertrok hij, twee lege flessen achterlatend. Dit ritueel herhaalde zich wekelijks. Niemand wist wie hij was. Nooit sprak hij een woord.

Op een dag verscheen een vrouw; ze trok hem aan zijn arm en schreeuwde dat hij moest meekomen. Hij liet zich als een lam meevoeren.

Nieuwe heup

Ze schuifelt naar de deur en laat hem binnen. Hij neemt plaats tegenover haar.
‘Hebt u familie in de buurt?'
‘Nee, alleen een neef in Canada.'
‘Buren, vrienden, kennissen?'
‘De meesten zijn overleden, de buren zijn oud'
'Gaat u vaak naar buiten?'
‘Dat lukt nu niet.'
‘U komt helaas niet in aanmerking voor een nieuwe heup. Uw netwerk is ontoereikend. Maar goed nieuws: u hebt recht op gratis stervensbegeleiding inclusief pil. U voldoet aan alle criteria voor een voltooid leven...' 

Plotseling voelt ze een kracht, die ze lang ontbeerde. Ze staat op en duwt de man de deur uit.

Pechvogels (1)

 “We hebben gewoon domme pech.”
“Wat nou, dit is oneerlijk, geméén.”
“Kom op zeg, doe even normaal.”
“Als jij de vorige maand niet zo dom was geweest ons abonnement op te zeggen …”
“Als, als, ... je was het er zelf mee eens.”
“Ik aarzelde nog; jij dramde maar door.”
“We speelden al jaren mee en hebben nooit iets gewonnen. We zouden  het geld opzij leggen en sparen voor een droomreis.”
“Onze hele straat kan op droomreis, omdat hier de PostcodeKanjer is gevallen.”
“Maak je niet druk, straks krijgen wij, als alle buren naar hun droomvilla's  zijn vertrokken, de hoofdprijs: rust.”

Pechvogels (2)

“Yes, gewonnen! Hoeveel loten hebben we ook al weer?”
“Drie!"
“Eindelijk kunnen we die cruise naar de Caraïben maken. En... verhuizen naar een betere buurt.”
“Wist je dat de buren vorige maand hun abonnement hebben opgezegd? Zij vissen achter het net.”
“Dat verdienen die arrogante lui. Vriendelijk in je gezicht, maar in werkelijkheid kijken ze op je neer.
Die toon waarop ze zei, dat zíj niet meer meededen aan die flauwekul van de Postcodeloterij... Ze zouden zelf wel sparen voor een reis. Haha, later met de rollator."
“Een gevalletje van dikke pech gehad.”

zaterdag 11 maart 2017

Lijnenspel



zwarte lijnen begrenzen 
gekleurde vlakken
driehoeken en diagonalen 
omsluiten 
het witte midden
waar serene stilte heerst

mijn oog trekt naar het rood 
hartstocht gevangen 
in primaire kleur en vorm

alom aanwezig is de dood
het groene leven sluimert
tot het licht haar kust 

@ Nel Goudriaan
11 maart 2017

Foto gemaakt in Stedelijk Museum Amsterdam






zaterdag 18 februari 2017

Ultrakorte Verhalen Schrijven Online (2)

Dansen met Gilles

‘Laten we dansen, liefste, dansen aan de zee,' zingt ze. Gilles zong dit lied vaak voor haar.
De andere tafelgenoten staren voor zich uit.
‘Goedemorgen, mevrouw Glimmen, wat zijn we vrolijk,' klinkt de stem van zuster Joke, ’u treft het: vandaag is het douchedag.'

Als het warme water langs haar lijf stroomt, danst ze weer met Gilles in de golven. Hij tilt haar omhoog, vangt haar op en kust haar met zoute lippen.
 ‘We zijn weer klaar. Snel aankleden en naar de koffietafel.'
Vanuit de verte ziet ze Gilles lopen. Natuurlijk zal hij haar nooit in de steek laten.

Spijt

’Je doet het toch niet, hè?' roept mijn vrouw, als ik het stemhokje binnenstap. Een paar wekenlang heb ik hem vertroeteld, verzorgd en van wijze raad voorzien. Ik sta hoog in de ranglijst van beste Kamergotchibaasjes. Eenentwintig dagen heb ik Geert in leven gehouden. Moet ik hem nu laten stikken?
Ik pak het rode potlood met scherp geslepen punt. Niemand hoeft het te weten...
Ik kleur binnen de lijnen.
'Wauw,' hoor ik hem weer zeggen.  
 
‘Nee natuurlijk niet,' zeg ik tegen haar.
Als ik de verkiezingsuitslag zie, ontwaak ik uit mijn roes. Er is geen weg terug.

Ochtendstond

Het bos ruikt naar frisse morgendauw. De eerste zonnestralen schijnen door de bomen en vormen schaduwen op het pad. Een vroege jogger loopt zijn morgenrun. In gedachten verzonken, totdat zijn oog valt op de glans van iets kleins onder een eikenboom. Hij vertraagt zijn pas, bukt zich en pakt een goudkleurige aansteker op.  Met zijn mouw veegt hij de aarde weg. Hij leest de gegraveerde tekst: “Aurora, licht van mijn leven.”
Bij de jogger, normaal gesproken een nuchter ochtendmens, glinstert weemoedig een traan. Deze ochtendstond heeft goud in de mond.

De puntenslijper

Ze noemen hem ‘Puntenslijper': een lange, spichtige man. Hij zit aan een keurig opgeruimd bureau, waarop naast elkaar drie potloden met scherpe punten liggen. Hij is iemand, die graag de puntjes op de i zet. 
Hij heeft een geslepen tong, een scherpe blik.  Als hij je aankijkt, lijkt het, alsof hij dwars door je heen kijkt. Van alles maakt hij een punt: een echte scherpslijper.
Om strikt half elf drinkt alleen een kopje koffie; om precies half een opent hij zijn broodtrommel. 

Hij heeft geen vrienden. En daar maakt hij dan -vreemd genoeg- geen punt van.


Moordenaar
(Vervolg op ‘Graven' 15-02-2017)

Vol goede moed begint de man met de oranje tuinbroek aan zijn karwei. Wat gisteren niet is gelukt, moet vandaag af. 
‘Het is een moordenaar, mevrouwtje,' zegt hij, als hij mij met ontzag naar de grote boormachine ziet kijken.
‘Ik hoop, dat er nog iets heel blijft,' antwoord ik.
Intussen is het in huis ijzig koud, want het gas is afgesloten. Het geluid van de boor doordringt alles. 
‘Komt allemaal goed,' zegt hij, als ik hem warme koffie aanbied.

Vanuit mijn ooghoek zie ik een muis uit het gat wegrennen.
Ik ril; dit komt niet meer goed ...


Graven

De bel gaat. Als ik de deur open, zie ik een grote, logge man in een oranje tuinbroek met daaronder een blauwe trui. Zijn gezicht is vol stoppels, zijn handen zijn zwart van aangekoekt vuil.
‘Goedemiddag mevrouwtje, ik kom de gasbuizen vervangen.'

Een paar uur later heeft hij een diepe kuil gegraven. Hij staat tot zijn middel in de aarde. Het zit niet mee, het gaat hem niet lukken het karwei op tijd af te krijgen:
 ‘Eerst schaften bij moeder de vrouw. Morgen is er weer een dag.'
Ik kijk hem verbijsterd na, voor mijn deur gaapt een gat.

dinsdag 7 februari 2017

Ultrakorte verhalen Schrijven Online

Ochtendstond

Het bos ruikt naar frisse morgendauw. De eerste zonnestralen schijnen door de bomen en vormen schaduwen op het pad. Een vroege jogger loopt zijn morgenrun. In gedachten verzonken, totdat zijn oog valt op de glans van iets kleins onder een eikenboom. Hij vertraagt zijn pas, bukt zich en pakt een goudkleurige aansteker op.  Met zijn mouw veegt hij de aarde weg. Hij leest de gegraveerde tekst: “Aurora, licht van mijn leven.”

Bij de jogger, normaal gesproken een nuchter ochtendmens, glinstert weemoedig een traan. Deze ochtendstond heeft goud in de mond.

Troost

Wit, heel veel wit om me heen. In de verte vaag het geluid van voetstappen. Als ik mijn ogen weer sluit, zie ik beelden in vele kleuren aan me voorbijtrekken.

Dan gaat de deur zachtjes open. Er klinkt een stem: “Je bent er weer.” Ik wil antwoorden, maar er vormen zich geen woorden. Je legt je handen op mijn wang, ik voel je nabijheid als een warme deken van troost op mijn koude lichaam.


Ook dat nog

Sinds ik Karel ken, kan ik mijn geluk niet op. Liefde op het eerste gezicht: we botsten tegen elkaar in de supermarkt. Pats, boem, raak. Hij is lief, charmant: elke week brengt hij rode rozen voor me mee.

Vanmorgen stond hij huilend op de stoep. Zijn medecompagnon was met de noorderzon vertrokken en had de bankrekening leeggeplunderd. 
‘Maar jochie, dan help ik je toch.’
Direct tienduizend euro overgemaakt. Mijn vriendinnen verklaren me voor gek.  Allemaal jaloezie.

Ik verlang naar zijn stem en bel hem.
‘Dit nummer is momenteel niet bereikbaar.’
Ocharme, zijn telefoon is gestolen. Ook dát nog!

Wachten

Een zacht briesje strijkt over haar gezicht.
De milde meiregen laat druppels achter, zodat haar huid een mooie glans krijgt.
Zij wacht, maar hij verschijnt niet.

De storm steekt op. Een windvlaag doet haar haren wapperen. Hagel striemt haar huid, die langzaam rood kleurt. De kou trekt in haar botten. Het wordt donker. In de nachtstilte staart ze voor zich uit. Ze wacht, maar hij verschijnt niet.

De morgenzon streelt haar huid. Een plotseling geruis in de struiken doorbreekt de stilte. ‘Ik ben er,' fluistert hij.
Het wordt weer stil. Hij is voorbijgegaan. Zij richt zich op.

Eindeloos 

‘Ik zou nog één keer willen zien hoe de zon ondergaat,' zei je, toen je wist dat het einde nabij was. 
Ik begreep je wens: je kon intens genieten van het uitzicht. Deze zomer nog rende je als een blij kind vol levenslust over het strand. Uren kon je kijken naar het spel van de golven.

‘We moeten snel gaan, vóór het te laat is,' zei je. En ook dát begreep ik. Je keek me aan; ik wist dat woorden overbodig waren.
We gingen, we zaten, we zwegen. De tijd leek eindeloos. De zon nam op schitterende wijze afscheid.

Wit


Ondanks alles oogt de kamer licht en vrolijk.  De zon schijnt door het raam naar binnen en verlicht de ruimte. Haar oog valt op de foto naast de lege stoel. Hij kijkt haar lachend aan; het lijkt alsof zijn mond beweegt. De foto is als die ene witte pixel in het kleurenpalet, die alle licht naar zich toetrekt. Haar ogen zijn zo gefixeerd op het licht, dat voor even de duisternis in haar oplost.

Ze gaat zitten in zijn stoel, ze voelt hoe de zon haar lichaam verwarmt. Als ze haar ogen sluit, is hij haar even zeer nabij.

Zwart

Ze loopt de kamer binnen. Alles staat op dezelfde plek: zijn stoel bij het raam, de foto’s, de statige boekenkast. Op de vloer het kleed met warme rode en oranje tinten. 

Van buiten lijkt alles onveranderd, maar zij voelt hoe de kou optrekt vanuit haar botten. Haar ogen zijn gefixeerd op het duister. Het is alsof ze kijkt naar een kleurenpalet met één zwarte pixel, die niet in staat is enig licht uit te stralen, maar wel meedogenloos alle aandacht opeist.
Een dode pixel is niet meer te repareren. Ze gaat zitten in zijn stoel en sluit haar ogen.

Perfect

Niemand had het zien aankomen: ze vormden het ideale stel. Hij: knap, donker haar, glanzende carrière. Zij: blonde haren, altijd vrolijk en perfect gekleed.

De ravage had al helemaal niemand verwacht: serviesgoed in stukken, huisraad door de kamer gesmeten. Overal zwarte aarde van de kamerplant, die ooit uitstekend paste bij het designmeubilair. 

En toch gebeurde het op die stralende lentedag. Een dag die volmaakt had kunnen eindigen, als hij geen andere route naar huis genomen had. Hij zou de vrouw, die nóg beter paste bij het interieur, niet zijn tegengekomen. Dat laatste viel natuurlijk thuis niet in goede aarde.

Ontelbare tranen

De therapeut loopt zijn spreekkamer binnen, leest zijn aantekeningen, vult de doos met tissues en gaat zitten. Dan komt ze binnen. Een uur lang zwijgt ze. Bij de deur zegt ze: ‘Dit werkt dus niet.’

Hij blijft achter en staart naar de lege bladzijde op zijn schoot.
De regen weent langs de ramen. Ontelbare tranen zijn er gevloeid in deze kamer. Vele dozen met tissues zijn beland in zijn prullenmand.

Hij staat op. Het is genoeg geweest. Hij zet het raam open en gooit de tissues één voor één in de regen. Langzaam dwarrelt de witte wolk omlaag.

Misericordia

De ijle klanken van de muziek buitelen over elkaar heen. Tevergeefs probeer ik de afzonderlijke melodieën te volgen. Dan klinkt unisono: misericordia. Barmhartigheid, is er nog barmhartigheid? Ik word overvallen door heimwee naar wat was.
 Ik kijk opzij en pak je hand. 

 Het is koud in de kathedraal. Mijn hele lijf rilt. Jij lijkt geheel verzonken te zijn in de muziek. Ik knijp je. Heel even kijk je me aan. Je ogen glanzen; bemoedigend knik je me toe.
Stemmen smelten samen tot een hemelse harmonie. De mijne zal zich er nooit meer in mengen. Voortaan zal ik toehoorder zijn.

Tromgeroffel in de nacht

In de stilte van de nacht klinkt tromgeroffel. Eerst zacht, dan steeds luider. Zijn handen weten van geen ophouden; snel bewegen zijn vingers op het strakgespannen vel.
Terwijl hij doorspeelt, ziet hij beelden voor zich van zijn verre vaderland. Mannen, vrouwen en kinderen worden ruw uit hun huizen gesleurd en genadeloos neergeknald. De aarde kleurt langzaam rood
Hij speelt onafgebroken door in een opzwepend ritme.

Het geluid dringt diep door in de huizen. De buurt verheft zich. Dan staan ze voor hem. Gewillig loopt hij mee. Buren kijken zwijgend toe. Het wordt weer stil. De trommel blijft onaangeroerd achter.