Zoeken in deze blog

dinsdag 15 augustus 2017

Ongeopend



Op de zolder na is het huis leeg. Er staan vele dozen en koffers. Herinneringen liggen verscholen onder het spinrag. Ik raap mijn moed bij elkaar en begin met opruimen. Als ik een doos open, zie ik een postpakket met daarop de naam van mijn opa: ongeopend, de postzegels ongestempeld. Ik aarzel, maar mijn nieuwsgierigheid wint. Het pakje bevat een doosje met een lege notendop en een brief in het handschrift van mijn oma:

Beste Jan, onze relatie is geworden tot een lege dop. Binnenkort vertrek ik naar naar mijn geboorteland Indonesië. Het spijt me, maar deze eenzaamheid verdraag ik niet langer …

Verdriet overvalt me, als ik mijn oma weer voor me zie met die  blik vol heimwee en verlangen.

zondag 13 augustus 2017

Verdwalen



Verdwalen

jij dirigeert en navigeert
bewandelt platgetreden paden
Jij ziet en wiedt
het onkruid onderweg
terwijl ik ween 
om wilde kamperfoelie

schoorvoetend vraag ik:
ga je mee verdwalen 
en samen kruipen 
door het struikgewas
en daarna liggen op een luchtmatras?

@Nel Goudriaan











Henk en Anja






Henk en Anja (10)

‘Henk, hier een brief met de vraag of we voldoende verzekerd zijn bij brand.’
‘Hoe kan ik dat weten, Anja. We betalen al jaren hetzelfde bedrag; onze meubels worden steeds ouder.’
‘Je moet je inboedelverzekering up-to-date houden, staat er.’
‘Bah, wat een naar woord: up-to-date. Het gaat om onze geliefde spullen. En inboedel doet me denken aan een begrafenis en een leeg huis.’
‘Wat ben je toch somber de laatste tijd. Sinds die verkoudheid zeg je zulke vreemde dingen.’
‘Nee, ik ben realistisch. Een inboedel is niets waard. Als je doodgaat, mag je blij zijn wanneer de kringloopwinkel alles gratis ophaalt.’
‘Weet je wat, Henk? We zeggen die verzekering gewoon op. Dan hebben we geld over voor een nieuwe matras.’

Henk en Anja (9)


‘Henk, wat doe je nú?’ roept Anja uit, als er plotseling een geelgroene fluim met een boog op de tafel terechtkomt.
Henk antwoordt niet; er volgt een onbedaarlijke hoestbui.
‘We hadden niet zonder onze windjacks moeten gaan fietsen. Je hebt vast kougevat.’
Ze kijkt ongerust naar zijn hoogrode konen en ruimt de tafel af. In eten heeft ze geen zin meer…
‘Je kunt beter naar bed gaan, jochie.’
Anja loopt rusteloos heen en weer door de kamer. Haar blik gaat naar de lege stoel voor het raam. Nadat ze de quiltclub heeft afgebeld, schenkt ze een kop koffie voor zichzelf in zonder het gebruikelijke mariakaakje. Er wacht een lange middag.
Ze besluit een warme wollen sjaal voor Henk te breien.

Henk en Anja (8)

’We zijn geluksvogels, alweer een prijs gewonnen, nu bij de BankGiro Loterij,’ roept Henk blij.
‘Wat winnen we?’
‘Een volledig verzorgd bezoek aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.’
‘Is dat niet het museum met zalen vol mummies? Ik weet niet, of ik daar nu zo’n zin in heb.’
‘Kom op, Anja, er is een gratis lunch bij.’
‘Alsof ik kan eten in zo’n omgeving vol doden.’
Na wat heen-en-weergepraat is Anja om. Ze gaan welgemoed op reis.

Voor het museum staat een lange rij prijswinnaars; allemaal met hetzelfde kaartje.
‘De wachttijd is momenteel anderhalf uur,’ wordt er omgeroepen.
‘Henk, laten we gaan. We kopen een heerlijk broodje met worst bij Slagerij van der Zon.’
‘Wát zeg je, Anja? Heer-lijk?’

Henk en Anja (7)

Sur le pont d’Avignon,
On y danse …’


Anja ontwaakt met een grote glimlach. De afgelopen nacht heeft ze sinds lang weer gedroomd: ze danste met Peter op de brug in haar ruisende, rode rok. Ze droeg bijpassende pumps met hoge hakken. Ze lachten en kusten elkaar.
Ze denkt terug aan de gelukkige tijd met hem: Peter met zijn gekke invallen, hij was altijd in voor iets nieuws. Op een dag vertrok hij naar Parijs, zonder haar.
Hoe zou een leven met Peter zijn verlopen? Spannend, maar zou ze zonder de stabiliteit van Henk kunnen? Een onbeantwoorde vraag, een som zonder uitkomst.
‘Ben je al wakker, Anja? Wat ben je laat vandaag. Ik heb alvast onze spijkerbroeken en rode T-shirts klaargelegd.’

Henk en Anja (6)

Geweldig, we hebben een frituurpan gewonnen met de Bingo!’ juicht Anja.
‘Ben je niet blij, Henk? Je bent zo stil.
Wat is er met je? Zal ik een kopje koffie voor je inschenken?’
‘Nee, ik heb al genoeg koffie op vanavond.’
‘Een biertje dan?’
‘Ik ga naar bed.’

Anja blijft verbouwereerd achter. Wat mankeert Henk toch? Is hij niet blij met de gewonnen prijs? Had ze misschien toch voor de maaimachine moeten kiezen?
‘Wie was die rare vent die jou gisteravond vol op de mond kuste?’
‘Dat was Peter, mijn vroegere buurjongen. We waren ooit verliefd.’
‘Dat is geen reden je nu nog te zoenen.’
‘Hij feliciteerde me alleen maar. Kom op, Henk, vanavond bak ik lekkere patat voor je.’

Henk en Anja (5)

Het lukt nooit om alles op tijd in te pakken.’
‘Rustig, meisje, het komt allemaal goed. De tas met worteltjes, sperzieboontjes, bloemkool en aardappelen staat al klaar. Vis en vlees kopen we op de markt in Putten.’
‘Vergeet je de fietstassen en de regenjacks niet?’
Uitgeput strompelt Anja de auto in. ‘Zullen we volgend jaar maar thuisblijven?’
‘Als we eenmaal in ons paradijsje in het bos zijn, ben je de drukte weer snel vergeten.’
‘Over vergeten gesproken: hebben we de quiltkoffer bij ons?’
‘Natuurlijk, die heb ik als eerste in de kofferbak gelegd.’
Na een uur rijden, bereiken ze het huisje.
Nadat de koffers zijn uitgepakt en de koelkast is ingericht, roept Anja verheugd:
‘We zijn er even helemaal uit.’

Henk en Anja (4)

Al vroeg heeft Henk de verjaardagsdoos van zolder gehaald om de kamer te versieren. De slingers hangt hij op aan de -daarvoor bestemde- spijkers en over de stoel van Anja hangt hij een bloemenkrans van crêpepapier.
Zoals elk jaar maakt hij haar lievelingsontbijt klaar: toast met honing en een gebakken ei.

Anja komt stralend binnen. Als ze in de stoel plaatsneemt, maakt Henk een rondedansje en zingt daarbij: ‘Lang zal ze leven …’
Het is tijd voor het cadeau. Hij geeft Anja de bekende roze envelop.
‘Oh heerlijk, Henk, een midweek naar ‘ons’ huisje in Putten.
‘Kijk eens op de achterkant.’
‘Het is je weer gelukt: nummer vijfenvijftig.’
‘Volgend jaar nummer zesenvijftig, zegt Henk en hij geeft haar een dikke pakkerd.



Henk en Anja (3)
Snikkend komt Anja uit de spreekkamer van de huisarts. Henk staat verschrikt op: ‘Maar lieverd, wat is er aan de hand? Was ik nu toch maar met je mee naar binnen gegaan.’
‘Hij zei, dat ik niet zo ductiel meer ben op mijn leeftijd.’
‘Wat?’
‘Niet soepel, niet buigzaam.’
Henk wordt rood, zoals altijd als hij verontwaardigd is. ‘Is die man nu helemaal gek geworden? Als er één soepel is, ben jij het wel. We fietsen dagelijks ons rondje, we zijn lid van de quiltclub, we wandelen naar de markt …’
‘Dat is het hem nu juist. De dokter zei dat ik meer afwisseling nodig heb, maar dat wil ik niet.’
‘Dat lossen we samen op: we veranderen gewoon van huisarts.’



Henk en Anja (2)
Al jarenlang zijn Henk en Anja lid van de quiltclub die elke vrijdagavond samenkomt. Ze zijn ooit begonnen met het maken van placemats die ze op verjaardagen hun neven en nichten cadeau doen.
Elke donderdag fietsen ze samen naar de markt om stofjes uit te zoeken. Henk let op de kwaliteit en Anja op de kleuren. Na afloop eten ze kibbeling.
‘Eén bakje met twee vorken,’ roept de visboer al, als hij ze ziet aankomen.

Henk snijdt de stukjes stof met een uiterste precisie op maat en bedient de naaimachine. Anja sorteert de lapjes op kleur en motief. Een bijzonder uitdagend project deze keer: twee identieke quiltjacks die ze elkaar als verjaardagscadeau zullen schenken.
‘We hebben het maar goed samen.’


Henk en Anja (1)
Ze steken tegelijkertijd hun hand op als ik ze groet, Dat vereist enige acrobatiek, als je hand in hand fietst. Ik zie ze meestal van ver aankomen: Henk en Anja in dezelfde rode windjacks. De boodschappen puilen uit hun blauwgeruite fietstassen. Ze dragen beiden stevige, donkerbruine sportschoenen met beige sokken. Twee keer per week maken ze een wandeling door weer en wind. Hun rode konen kleuren dan goed bij de windjacks.
Stiekem verdenk ik ze ervan in dezelfde flanellen pyjama’s te slapen: uniseks …

Op een dag kom ik Henk tegen: hij is alleen. Zijn rode windjack staat open. De veters van zijn schoenen zijn los.
‘Waar is Anja?’ vraag ik.
Hij kijkt me wezenloos aan.
‘Ze is een dagje weg.’